Van alles

Lentekriebels

Herinneringen aan een zorgeloze jeugd in de Friese greide

Vrijdag 20 maart begon de lente. Wat een voorrecht om in een land te wonen met vier seizoenen. Dit jaar werden we zelfs getrakteerd op het noorderlicht én een flinke laag sneeuw — iets wat in jaren niet is voorgekomen. Eind januari konden de kinderen nog heerlijk buiten spelen in de sneeuw. Toch voelt het ook bijzonder dat de lente nu weer in aantocht is.

De echte lentekriebels gaan misschien aan mij voorbij, maar alles wat deze tijd van het jaar brengt, geeft een warm en vertrouwd gevoel. De natuur die opnieuw tot leven komt, de zon die sterker wordt… het blijft een klein wonder. Maart roert zijn staart, een sneeuwbui kan nog altijd, maar een Elfstedentocht zit er niet meer in.

Langer licht, frisse lucht en eindeloos spelen

De langere dagen brengen me terug naar mijn kindertijd. We hadden geen televisie; we waren altijd buiten. Hinkelen, touwtjespringen, verstoppertje spelen — dat wás onze wereld. Van vers gemaaid gras maakten we een hoge ring om in te zitten. We plukten madeliefjes en boterbloemen en maakten er armbandjes van.

Een bosje pinksterbloemen voor moeder, rode en witte klaver overal om ons heen. Liggend in het gras zag ik dieren in de wolken voorbij drijven. En als het ’s avonds langer licht bleef, mochten we na het eten nog even naar buiten. Toen we ouder werden en de jongens interessanter werden, veranderden de lentekriebels van vorm. We hingen rond op het schoolplein — onze eerste stappen richting volwassenheid.

Zondagochtend in de greiden

Ik ben een kind van de Friese greiden. Op zondagmorgen wandelde ik altijd met mijn vader door het land. Hij genoot ervan om de mannetjeskievit — d’âld hy — te spotten, die vijandige vogels probeerde weg te jagen. Dat was hét teken dat er een nest in de buurt was.

Eerst maakten we een praatje bij boer Fopma en haalden we een bakje koffie, daarna gingen we het land in. Als het koud was, stopte ik mijn handje in de jaszak van mijn vader. Ik vond nooit een nest, maar zijn aandacht was belangrijker dan wat dan ook. Met vier dochters probeerde ik me soms wat stoerder voor te doen dan ik was.

Mijn vader leidde me naar het nest: “In pear stappen foarút… ja dêr, foar dy… sjochst it no noch net?” Het woord dat daarna kwam, kan elke Fries wel raden.

Foto: Klaas Ploegh

De windmolen en de trein

Na onze tocht rustten we uit bij de Amerikaanse windmolen in de buurt van Mantgum. Over een smalle betonnen richel liepen we naar een plekje uit de wind. Daar zaten we zwijgend naast elkaar, kijkend over het land.

Daarna liepen we door naar de spoorlijn. Nu kwam het spannende deel: we legden stuivers op de rails en wachtten tot de trein voorbij denderde. Daarna zochten we de platgereden stuivers in de berm. Ik heb er nog een paar. Gelukkig zijn we nooit betrapt door de politie, die toen nooit ver weg was.

Polsstokspringen en blauwe drek

Omdat ik graag stoer wilde zijn voor mijn vader, deed ik mee aan jongensdingen. In het voorjaar hoorde daar polsstokspringen bij. Dat ging niet altijd goed. Eén keer belandde ik midden in de sloot, in de blauwe drek.

Mijn moeder was bezig met de grote schoonmaak — zo kon ik onmogelijk thuiskomen. Dus bedacht ik een plan: mijn vriendin moest thuis melden dat ik in het water lag, terwijl ik me achter een heg verstopte. Een nat pak leek me minder erg dan het idee dat ik had kunnen verdrinken.

Mijn oudere zus kwam aanrennen, lijkbleek van schrik. Ze rende langs de heg en ik riep: “Hoi!” Het laat zich raden dat mijn zus en moeder woedend waren. Tja… wist ik veel.

Herinneringen die blijven kriebelen

Zoveel herinneringen aan een zorgeloze jeugd. Het lijkt zo lang geleden, maar soms voelt het alsof het gisteren was. Laat dat gevoel nog maar heel lang blijven kriebelen.

Show More

Related Articles

Geef een reactie

Back to top button